Kröller-Müller Museum - Expose

Kröller-Müller Museum - Expose

De top 3 van: Annemieke Hoogenboom

1

De grote gekwetste
De grote gekwetste
1894
brons
George Minne (1866 - 1941)
Reactie:
Ik heb gekozen voor ‘De grote gekwetste’ van George Minne, voor Sjoerd Buismans kubistische kolom en voor het beeld van Heringa en Van Kalsbeek uit 1999. Ze staan niet zozeer op respectievelijk de eerste, tweede en derde plaats, maar in een reeks. Los van de vormovereenkomst tussen de drie (de oprijzende beweging), vertegenwoordigen ze voor mij drie aspecten van de beeldencollectie van het museum. Het werk van Minne hoort bij de idealistische collectie van Helene Kröller-Müller, dat van Buisman bij de nogal cerebrale, conceptuele beeldhouwkunst uit de jaren '70 en 80 die mij diep in het hart gebakken zit, en dat van Heringa en Van Kalsbeek uit 1999 bij de meer dionysische werken die het museum de laatste jaren heeft verworven en die ik graag over me laat komen.

2

Zonder titel (kubische kolom)
Zonder titel (kubische kolom)
1989
brons (gepatineerd)
Sjoerd Buisman (1948)
Reactie:
Ik heb gekozen voor ‘De grote gekwetste’ van George Minne, voor Sjoerd Buismans kubistische kolom en voor het beeld van Heringa en Van Kalsbeek uit 1999. Ze staan niet zozeer op respectievelijk de eerste, tweede en derde plaats, maar in een reeks. Los van de vormovereenkomst tussen de drie (de oprijzende beweging), vertegenwoordigen ze voor mij drie aspecten van de beeldencollectie van het museum. Het werk van Minne hoort bij de idealistische collectie van Helene Kröller-Müller, dat van Buisman bij de nogal cerebrale, conceptuele beeldhouwkunst uit de jaren '70 en 80 die mij diep in het hart gebakken zit, en dat van Heringa en Van Kalsbeek uit 1999 bij de meer dionysische werken die het museum de laatste jaren heeft verworven en die ik graag over me laat komen.

3

Zonder titel
Zonder titel
1999
porselein, Celadon glazuur
Heringa / Van Kalsbeek (1966 / 1962)
Reactie:
Ik heb gekozen voor ‘De grote gekwetste’ van George Minne, voor Sjoerd Buismans kubistische kolom en voor het beeld van Heringa en Van Kalsbeek uit 1999. Ze staan niet zozeer op respectievelijk de eerste, tweede en derde plaats, maar in een reeks. Los van de vormovereenkomst tussen de drie (de oprijzende beweging), vertegenwoordigen ze voor mij drie aspecten van de beeldencollectie van het museum. Het werk van Minne hoort bij de idealistische collectie van Helene Kröller-Müller, dat van Buisman bij de nogal cerebrale, conceptuele beeldhouwkunst uit de jaren '70 en 80 die mij diep in het hart gebakken zit, en dat van Heringa en Van Kalsbeek uit 1999 bij de meer dionysische werken die het museum de laatste jaren heeft verworven en die ik graag over me laat komen.